Ik las dezer dagen over de sluiting van bovengenoemd museum en ik moet denken aan een verhaaltje dat ik zo’n vijf jaar geleden over Herman schreef. De stukjes van toen gingen over Zwolse straten met een verhaal. Dat verhaal had als kapstok de Fuchsiastraat.
Omdat ik Ivo de Lange, de man achter het museum, bewonder om zijn volhardendheid in dit museale gebeuren, leek het me gepast om het verhaal, ietwat aangepast aan het heden, te herhalen.
Het ging over een kunstwerk dat Herman maakte in opdracht van de Maatschap voor Cardiologie en dat aan het ziekenhuis (toen nog De Weezenlanden) cadeau werd gedaan. Het hangt nu in het centrale trappenhuis van Isala.
Gesteld kan worden dat een groot deel van de Nederlanders Herman Brood een geweldig artiest vindt, een ander groot deel vindt het een vreemde aandachttrekkende paljas. Zeker is dat hij steeds op zoek was naar nieuwe, andere vormen om het leven te beleven.
Ik sta er, om een kunstsectorwoord te gebruiken, ambivalent in. Ik was in 1997 aanwezig bij het vervaardigen van het schilderij. De voorbereidingen en gedoe eromheen namen veel meer tijd in beslag dan het maken van het schilderij zelf.
Een wit schilderslinnen van geschat 120 x 180 cm lag op de vloer van de hal op Herman te wachten. Een aantal bussen met acrylverf en enkele glazen Pisang Ambon en Blue Curaçao stonden klaar.
Er kwam een heel gezelschap vreemde vogels binnen, met aan de leiding, op een levensgrote step, Herman Brood. Die in een razend tempo, binnen 15 minuten, het schilderij maakte.
Op de vraag van een van de aanwezigen of hij het ook met een blinddoek voor zou kunnen, zei hij iets als “jazeker” en liet zich een zwarte doek voor de ogen binden. Met één grote haal trok hij, met een spuitbus witte verf een, nog steeds zichtbare, streep dwars over de onderste helft van het doek en zette er tot slot een titel op: ‘Zoek Hart’. Hij raakte de drank in het geheel niet aan en vertrok onder luid applaus.
Vier jaar later sprong hij van het dak van het Hilton Hotel in Amsterdam. Nog steeds op zoek, denk ik.