Welke verborgen geschiedenis schuilt er achter die opvallende straatnamen, gevels en plekken van Zwolle? Omdat straatstenen niet kunnen praten, ging de redactie van 1Zwolle zelf op onderzoek uit.
Loop je door de Sassenstraat, kijk dan bij nummer 5 eens omhoog. Drie opvallende gevelstenen vertellen daar een eeuwenoud verhaal. Het pand heeft bovendien een bijzondere geschiedenis, waarin Seyger van Rechteren, rampspoed en Oost-Indië een rol spelen.
De drie stenen dateren uit 1738 en zijn later opnieuw in de gevel geplaatst.
En daarop staat het volgende geschreven:
HY WEET NIET WAT HY VERLIEST
DIE HET TIDELYCK VOOR HET GEESTELYCK KIEST
ALS HET KOMT OP EN SCHEYDEN
SOO HEEFT HY GEEN VAN BEYDEN
Vrij vertaald: wie in het aardse leven alleen voor geld, bezit en wereldse zaken kiest en het geestelijke verwaarloost, blijft uiteindelijk met lege handen achter. Bij de dood kun je het aardse immers niet meenemen.
Maar wie heeft deze spreuk op de gevel laten zetten? En heeft hij iets te maken met de bijzondere geschiedenis van het pand?
Seyger van Rechteren en de VOC
Het huis is verbonden met Seyger (Zeger) van Rechteren (1600-1645) die er in de zeventiende eeuw woonde. Hij was een bastaardkleinzoon van het adellijke geslacht Van Rechteren, dat verbonden was aan kasteel Rechteren bij Dalfsen. Vanaf 1628 werkte hij voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) als ziekentrooster, een soort predikant die zieken bijstond en geestelijke zorg verleende. Hij reisde naar Oost-Indië en hield daar een reisjournaal over bij. Dat journaal werd later ook gedrukt.
Volgens wieiswieinoverijssel.nl reisde hij samen met zijn vrouw Anneke Heimans en hun twee kinderen. De reis duurde uiteindelijk ruim vier jaar en zes maanden. Wat het gezin onderweg meemaakte, is nauwelijks voor te stellen. Ze kregen te maken met stormen, scheepsongelukken, voedsel- en watertekorten, ziektes en aanvallen.
Rampen, een zeemonster en pinguïns
In het reisjournaal beschrijft de voormalige bewoner van Sassenstraat 5 zijn belevenissen, zoals een aardbeving en een vloedgolf. Bij Kaap de Goede Hoop liep het bijna fataal af. Seyger en zijn vrouw Anneke wisten naar eigen zeggen maar ternauwernood te ontsnappen aan de plaatselijke bevolking, uit angst te worden opgegeten. Beeldbank Dalfsen heeft gedeeltes uit dit reisjournaal gepubliceerd. Zoals Seygers ontmoeting met de inlanders. “Dit volck dat hier woont is seer ongheregelt ende heel beestich van leven, eten alle dingen raeuw, so wel vleesch als vis, darmen ende vellen van beesten soose gheslacht zijn, loopen gantsch naeckt soo wel Vrouwen als Mans, hebbende een kleijn velleken van een handt groot voor de schamelheydt.“
Seyger beschrijft in zijn reisjournaal dat ze later in zee zelfs een enorm, zevenkoppig monster zagen. “Zo groot als een walvis.”
Seyger overleefde twee aardbevingen met vloedgolven en maakte de belegering van Batavia mee. In Batavia verloor het echtpaar hun jonge zoontje en later ook een dochter.
Op de terugreis naar Nederland kregen de opvarenden te maken met muiterij, voedselgebrek en water vol duizenden wormen. Tijdens de terugreis deden Seyger en zijn medereizigers ook Robbeneiland aan. Daar vingen ze enkele pinguïns, die volgens Van Rechteren nogal tranig smaakten.
In 1633 keerde het gezin terug naar Nederland. In datzelfde jaar vestigden Seyger en Anneke zich in Zwolle, waar hij later hoofd van het gevangeniswezen in Overijssel werd. Ze gingen aan de Sassenstraat 5 wonen. Seyger van Rechteren overleed in 1646 en werd begraven in de Grote Kerk van Zwolle.
Heeft Seyger de spreuk bedacht?
De spreuk op de gevelstenen van de Sassenstraat 5 wordt soms aan Seyger toegeschreven, maar daar is geen hard bewijs voor. Al zou het best logisch zijn, na alle ellende die hij tijdens zijn reis meemaakte. Toch bestond de spreuk al eerder. Dirck Volkertsz. Coornhert (1522-1590) citeerde bijvoorbeeld in de zestiende eeuw al een vergelijkbaar oud rijmpje. In het zesde hoofdstuk van zijn Zedekunst (Wellevenskunste), dat in 1586 werd gedrukt, schrijft hij over “het ouden rymken”:
Zy zyn zot ende gheheel onvroed. Die hier verkiezen ’t verganckelyck voort eeuwighe ghoed, Want alst ghaat op een scheyden. En hebben zy gheen van beyden.
De gedachte achter de Zwolse gevelspreuk was dus al ruim vóór Seygers reis bekend.
Er is nog een aanwijzing dat Seyger de gevelstenen niet zelf kan hebben laten plaatsen. De steen in het midden draagt het jaartal 1738. Ook het familiewapen op de steen, met een afbeelding die lijkt op een Maltezer kruis, verwijst naar de familie Van Rechteren.
Maar Seyger was toen al lang overleden.
De huidige gevel van het pand dateert bovendien van na 1815. De beide gevelstenen en het familiewapen zijn bij die verbouwing waarschijnlijk opnieuw in de gevel geplaatst.



