Ooggetuigen over de bevrijding van Zwolle en Kampen: ‘Iedereen juichte en sprong: daar waren onze bevrijders!’

|   Laatste wijziging

Foto: Eigen foto

Vandaag is het exact 81 jaar geleden dat Zwolle bevrijd werd door de Canadezen.  Kampen volgde op 17 april. De Zwolse Ine Burgman-Schrijver (99) en de Kamper Judith van Grafhorst-van der Belt (91) maakten die bijzondere tijd bewust mee. De redactie van 1Zwolle zocht hen op in verzorgingshuis De Nieuwe Haven en nam samen met hen een sprong terug in de tijd.

Ine was 18 en woonde in Assendorp aan de Tulpstraat toen ze hoorde dat de Canadezen via de Hortensiastraat binnenkwamen. “Met veel mensen stonden we op de Assendorperstraat. Iedereen was hartstikke blij en toen werd er ineens geroepen ‘Duitsers’, en was de hele straat weer leeg. Later bleek dat het loos alarm was.”
 De straten vulden zich hierna weer met feestende mensen. Na een strenge periode waar je op tijd binnen moest zijn en alles ‘s avonds donker volgde de opluchting.   “In een grote kring stonden we te dansen en te springen en meisjes en jongens zoenden.”

Op de tank met kauwgum
Bij ons in Kampen konden de Canadezen niet naar de overkant want de brug was opgeblazen”, vertelt Judith die bijna twaalf was toen de oorlog begon. “Een hele jonge jongen (de 17-jarige Warner-red) heeft de eerste twee Canadezen met een roeiboot naar Kampen gebracht. Er werd hierna zo snel mogelijk een pont gemaakt en toen kwamen de bevrijders Kampen binnen. “

Op de Oudestraat stond ze tussen de menigte toen de tanks arriveerden. “Iedereen was aan het juichen en springen. Daar waren onze bevrijders! Later hebben we op zo’n tank gezeten, dat was geweldig! We kregen een stukje kauwgum en kenden dat niet. Een Canadees liet zien dat we erop moesten kauwen, het smaakte naar pepermunt.”

Alle vlaggen mochten weer uit en alle mensen begonnen te zingen. “Wij willen Holland houden’, Leve de Koningin en Oranje boven!”. “Het mooiste was dat je weer vrij over straat kon lopen”, vult Ine aan.  “Je hoefde niet meer na te denken over wat er kon gebeuren.”

Trees heeft een Canadees
“Jong en oud liep achter de muziekkorpsen aan in de stad en iedereen was zo blij. Je voelde je heel erg bevrijd maar je kon geen lekkers halen ofzo want alles was nog op de bon”, herinnert Judith zich nog. “Dat heeft nog wel tot 1946 geduurd.”

Hoe zat het met romances tussen de Canadezen en de feestvierders? “Bij ons in de buurt waren drie jonge meiden van een jaar of 19 die met ze gingen”, vertelt Judith. “Er kwam geen relatie van maar wel kinderen. We zagen ze lopen met kleding van de Canadezen. Dat haalden ze uit elkaar en daar maakten ze een broek of blouse van wat dat was ook niet te koop.”
“Trees heeft een Canadees, samen in de jeep en dan vol gas!”, zingen de dames hierna uit volle borst en wanen zich weer even terug in de tijd.

Verzetsdaad
Natuurlijk kende de oorlog in de periode voor de bevrijding angstige momenten.
“Ik maakte mee dat twee straten achter mij een bom viel bij de Groeneweg”, weet Ine nog.  “Ik stond in de achtertuin en zag het gebeuren. Mensen die ik kende zijn daarbij omgekomen. Mijn broer die in Duitsland moest werken maakte daar ook een bombardement mee en kreeg difterie, dat was heel besmettelijk. Mijn zus en ik kregen het ook.”

Ze weet nog dat er bij haar thuis een luik was bij de achterdeur waar je je onder de grond kon verstoppen voor razzia’s. “Daar zaten de jongemannen die niet in Duitsland wilden werken.”
Ines vader werkte bij de spoorwegen en was seinhuiswachter in Zwolle. “Op een gegeven moment zijn ze allemaal wezen staken. Maar de Duitsers dreigden toen alle gezinnen op te pakken dus is mijn vader weer gaan werken. Ik heb ook gezien dat ze handgranaten naar binnen gooiden bij huizen van stakende machinisten. Dat was een hele nare beleving dat ze zo de boel kapot gooiden. Gelukkig waren ze niet thuis.”

Later hoorde ze van een zoon van een machinist dat haar vader meehielp aan een verzetsdaad. “Een machinist moest een trein met joodse mensen naar Duitsland rijden.  Toen heeft mijn vader het sein op onveilig gezet om zo de trein te vertragen. En een broer van mijn moeder woonde in Rotterdam en had een drukkerij waar hij verzet krantjes maakte. Hij is in het concentratiekamp overleden.”

Dat er Joodse mensen werden opgepakt merkten de dames als kind niet. “Wel dat je op een gegeven moment dacht: hee ik zie ze niet meer.  Wat er met ze gebeurde nadat ze op transport werden gezet hoorden we pas na de oorlog. Je speelde wel eens met andere kinderen die opeens allemaal een ster op hun kleding kregen. Dat vond ik heel raar, “ vertelt Judith. Ze herinnert zich een Joodse familie van de slagerswinkel aan de Venestraat in Kampen. “In die woning zie je nog een ster in de stenen gevel. En er was een Joodse tandarts, ze zijn niet teruggekomen.. “

Kolen für die Mutti
Niet alle Duitsers waren slecht. “Soms kwamen ze op het seinhuis met een groot stuk steenkool of een hele grote rode kool: ‘Kolen für die mutti’, zeiden ze dan”, vertelt Ine.

“Mijn vader heeft nog gewerkt in de Theologische Hogeschool aan de Oudestraat in Kampen toen een Duitser hoorde dat er weinig brandstof was”, herinnert Judith zich. “In de Hofstraat had je een hek dat omhoog kon. Ik kwam er met een oude kinderwagen samen met mijn broertje en dan kregen we van een Duitse stoker een zak met kolen die we daarin verstopten.

Er werkte ook een aardige kok die rond lunchtijd een emmertje vulde met rijst wat overbleef. Om half 1 stond ik op het hoekje van de Oudestraat om de emmer over te nemen. Die Duitsers zeiden ook: ‘wir willen die Krieg nicht. “

In tijden van schaarste en honger probeerde je te overleven .“Wij woonden vlak bij de Vloeddijkkazerne”, vertelt Judith. “Daar stond een grote kar met kolen voor de Duitsers. Mannen uit de Heilige Steeg, onder wie mijn vader, haalden daar wat van weg. Toen de Duitsers dat ontdekten, dreigden ze dat alle mannen uit de straat zouden worden doodgeschoten als de kolen niet terugkwamen.”

Haar vader werd bang en sloeg op de vlucht. Hij dook onder op boerderij De Keulvoet en durfde lange tijd niet terug naar huis. Via de boerin, die met een pasje door de bewaakte Venepoort kon, hield het gezin contact. “Ze smokkelde briefjes mee, zodat mijn ouders wisten hoe het met elkaar ging en ik eten kon ophalen.”

Ondertussen probeerde het gezin rond te komen. “Er was honger. Ik liep vaak met mijn kleine zusje in de kinderwagen naar de boerderij. De boer stopte dan groente en aardappelen onder het matrasje. Ik hoor hem nog zeggen: ‘Ik heb nog twee kropjes sla, die kunnen bij het hoofdeinde,’ ”lacht Judith. “Mijn vader zat er een paar maanden. Toen kwam de bevrijding en mocht hij naar huis. Wat een feest was dat!”

Advocaat op de muren
Ook de laatste dagen van de oorlog staan Judith nog scherp bij. “Toen de Duitsers wisten dat de Canadezen eraan kwamen, hebben ze tegenover het stadhuis in Kampen flessen drank kapotgegooid. De advocaat droop van de muren.”

Na de bevrijding volgden afrekeningen. “Vrouwen die met Duitsers waren omgegaan, werden kaalgeschoren en op boerenkarren door de stad gereden. Ik had ook een tante met een kale kop.” Ze herinnert zich nog een gesprek tussen haar tante en haar moeder in de oorlog. “Mijn tante zei: ‘Ik snap het niet: jij hoeft geen armoede te hebben.’ Mijn moeder reageerde fel: ‘Als je nu niet ophoudt, zet ik je eruit. Want ik moet er niet aan denken.’”

“De NSB’ers waren nog erger dan de Duitsers,” vult Ine aan. “En bij ons in Kampen was een makelaarsfamilie die na de oorlog ineens waren verdwenen”, weet Judith. “Hun kinderen kwamen in een weeshuis terecht.”

De vraag blijft wat er van die oorlogstijd is geleerd. Uitsluiting bestaat nog steeds. En wat kan de jongere generatie van de senioren meenemen?
“Jongeren moeten eerder tevreden zijn,” zegt Ine resoluut. Judith knikt instemmend. “Ze willen steeds meer en hebben nu de hemel op aarde, maar beseffen dat niet half.”

En wat de uitsluiting betreft zijn de dames het ook eens: “Hoe kun je zo leven en anderen zo buitensluiten? Wat schiet je ermee op? Laat mensen toch gewoon in hun waarde.”

Gerelateerde Berichten

(Automatisch gegenereerd)